Deel II Proces van archeologie: denkwerk

Deel twee van onze serie over het proces van archeologie! Alles wat je wilt weten over dit proces komt hier aan bod. Wil je meer weten? Stel dan je vraag aan de specialist!

Na het veldwerk komt het denkwerk. Een opgraving is eigenlijk een driedimensionale puzzel zonder voorbeeld. De vondsten zitten op verschillende plaatsen in verschillende lagen in de grond. Van ieder spoor en voorwerp moeten we ontdekken wat ze met elkaar te maken hebben. Dat doen we door al die gegevens te registreren en er kaarten en tekeningen van te maken. Zo ontdekken we welke sporen met elkaar te maken hebben en samen iets vertellen over dezelfde tijd.

De archeoloog gebruikt complexe computerprogramma’s en wordt geholpen door andere experts zoals geologen en geografen. We vinden steeds een stukje van de puzzel, onderzoeken dit grondig en verbinden het met andere stukjes informatie om zo een totaalplaatje te krijgen. Door alle archeologische en historische gegevens – zoals geschreven bronnen – te combineren krijgen we een beeld van het verleden.

Een archeologische opgraving levert veel interessante informatie op die vragen over het verleden kunnen beantwoorden. De Nationale Onderzoeksagenda Archeologie is een lijst met onderzoeksvragen die nog niet beantwoord zijn. Archeologen denken steeds over deze onderwerpen na. Zo hopen ze het verhaal van onze geschiedenis aan te vullen en misschien zelfs te corrigeren. Voorbeelden van vragen die archeologen in Zuid-Nederland zichzelf stellen zijn: hoe gebruikten de mensen in de steentijd het landschap en hoe woonden ze? Wat aten ze? Hoe zag het boerenleven er uit in de brons en ijzertijd? Hoe maakten, verspreidden en gebruikten de bewoners hun voorwerpen? En namen de bewoners in Limburg in de Romeinse tijd de Romeinse gewoonten en taal over? En hoe zat dat in de Middeleeuwen? Hoe gebruikten de bewoners toen de omgeving? En hoe zagen hun spullen er uit? Archeologen willen niet alleen weten wát ze hebben gevonden, maar ook hoe oud de vondst is. Dat heet dateren. Om hierachter te komen, kun je een vondst bijvoorbeeld vergelijken met andere voorwerpen. Van sommige voorwerpen is bekend hoe oud ze zijn, omdat ze bestaan uit organische stoffen zoals bot, hout, houtskool of schelpen. Met de zogenaamde C14 methode kun je bepalen hoe oud deze stoffen zijn. Een andere methode om te dateren is het tellen van de jaarringen van oude stukken hout. Dit heet dendrochronologie. Iedere boom maakt ieder jaar jaarringen, dikke en dunne, afhankelijk van het klimaat dat jaar. Die jaarringen vormen een soort streepjescode. Die streepjescode vergelijken we met bomen waarvan we weten wanneer die gekapt zijn. Zo kan precies worden bepaald uit welk jaar een oude houten voorwerp komt. Munten dateren is een stuk gemakkelijker. Op munten staan meestal de hoofden van keizers, koningen of koninginnen. Als je een munt vindt en je kunt zien wie erop staat, weet je meteen wanneer die munt geslagen is.

Nieuwsgierig naar meer? In deel III vertellen we je meer over conservatie en restauratie van archeologische voorwerpen.

Deel dit met vrienden of collega’s

Menu